De Liefhebber

Op een zestiende-eeuws schilderij van Joachim Beuckelaer is het meteen duidelijk wat het onderwerp is: die man daar in de verte, die net binnenkomt. Toch? We zouden ons hoofd eerbiedwaardig laten zakken, de handen vroom gevouwen, als onze blik niet werd afgeleid door die enorme kalkoen op de voorgrond. Of die fazanten en hoentjes ernaast. Of de appels, sinaasappels en de artisjokken. De honingmeloenen, citroenen, op barsten staande pruimen. De net geschoten haas. De kruik vol wijn naast de keukenmeid, die voor onze ogen nog meer zojuist geplukt pluimvee spiest. Druiven, abrikozen en een schattig dood konijn. Het opengereten laatste stuk varken met achterpoot nog, roze en dof glanzend. Vinkjes in een tros en dadels op een schaaltje. Zelfs de bloemkool, godallemachtig.

Christus is natuurlijk niet zomaar iemand en zo’n feestmaal had hij wel verdiend, daar niet van. Maar zou het niet iets logischer zijn geweest deze ‘welvoorziene keuken’ op de achtergrond te zetten en de bebaarde bezoeker naar voren te halen? Het lijkt erop dat de rijke burger die dit schilderij bestelde zijn tafelgasten vooral wilde imponeren met zijn goede smaak in de keuken en niet met zijn vrome geloof in de kerk. Vet druipend vlees gaf een betere indruk dan de traditionele ‘binnenkomst’ van Gods zoon. Die tafelgasten weten heus wel dat Christus nooit op bezoek zal komen. Maar dat eten, dat is iets om echt in te geloven.

Aanbidding is tenslotte een menselijke behoefte en zodra Christus uit zwang raakt, zoeken we ons heil ergens anders. En in de zeventiende eeuw was dat kennelijk bij eten, en dan vooral veel. Of raakte Christus juist uit zwang, omdát we onze hoop en aandacht op iets anders hadden gericht?

Opscheppen
Het kan ook zijn dat de rijke opdrachtgever vooral besloot te genieten van zijn geld en dus investeerde in het heden in plaats van het hiernamaals. Deed je je handjeklap goed op de tulpenbeurs, dan werden je gebeden ’s avonds aan tafel beloond. En niet alleen aan tafel, maar ook op het doek. De kunst ging mee in die verschuiving van religieuze aanbidding naar menselijke geneugten. De betekenis van een schilderij veranderde van bevestiging (dat we zullen voortleven na de dood, dat we het ‘goed’ doen, dat God bestaat en ons begeleidt, dat het leven zin heeft), in bevrediging (van honger) en opschepperij.
Voor de nieuwe burger met geld en pupillen zo groot als papillen werd aan de lopende band geschilderd. Eenden die net de nek omgedraaid zijn liggen elegant in onmogelijke houdingen, kloeke keukenmeiden plukken pluimvee en overal liggen vruchten, vissen, vlees en brood tentoongespreid. Je geeft je ogen de kost.

Toch werden na enige tijd de doeken minder groot en de tafels minder vol. Zou de nieuwe rijke eindelijk verzadigd zijn geraakt? Of werden de doeken des overvloeds na een tijd toch vooral als leeg en oppervlakkig ervaren?

Iets fijners
Nieuwe, kleinere tafels werden nu op een donkerder ondergrond geschilderd, want de glans was eraf. De ‘Memento Mori’ deed zijn opmars: een stemmige schedel naast wat andere voorwerpen moest ons er weer aan herinneren dat we sterfelijk zijn. Of waren de oververwende pupillen en papillen op zoek naar een nieuwe esthetiek?

Neem de oesters. Op deze subtielere stillevens vind je nogal eens schalen met glanzende oesters. Die waren handig voor de kunstenaar om zijn stofuitdrukking te demonstreren. Zo liet hij zien hoe goed hij verschillende texturen kon schilderen: zowel de fluwelen glans van de binnenkant, als de ruwe buitenkant waren voor een goede kunstenaar geen probleem. Misschien dienden de oesters ook om aan te tonen dat men na de plompe kalkoen toe was aan iets fijners op de tong. We waren al wat decennia verder en smaak had zich inmiddels ook ontwikkeld – zoiets? Voor de koper was de officiële reden dat hij die oesters graag wilde zien in elk geval een nieuwe, want die oesters zien er glanzend en uitnodigend uit, maar onthoud: uiteindelijk bederven ze. De tafel des overvloeds leek te zijn veranderd in een tafel der waarschuwing.

Maar slaan we dan niet iets over? Is er niet nóg een, (nogal overduidelijke), reden dat die oesters daar in al hun glorie lagen te glimmen? Ze staan algemeen bekend als afrodisiacum. Laat die gasten maar weer blozen bij het voorgerecht, u hebt weer iets om stoer mee te doen.

Een zuurtje, een bittertje
Maar het kan ook nog andersom. Er is dus genoeg voedsel in de kunst, symbolisch of niet, maar er is ook kunst in het voedsel. In rijke landen waar mensen zich vervelen gaat de hobbykok voor de grote droom: hij of zij wordt professioneel kok. Al is hij overdag automonteur, zijn koksmuts is de kroon op zijn werk, zijn smakenpalet zijn echte gereedschap. Bob Ross imiterend schildert hij zich gehaast in de wedstrijd op televisie een landschap: een zoetje hier, met daar tegenover een zuurtje en om het af te maken nog een subtiel bittertje.
Tegenwoordig wordt verfijning ook gezocht in de (voor)bereiding van eten. De ware meester is nu degene die zelf zijn ganzen plukt en zijn vogels spiest – niet de zeventiende eeuwse schilder die toont hoe de keukenmeid dat doet. Hij is de man die aan zijn gasten zelf het overvloedige voorzet, zonder daarbij in de overdaad van Breuckelaer te vervallen. De amateur chef houdt het bij de stijl van de subtiel glanzende oesters en probeert ons voorzichtig te verleiden. Wij zijn toeschouwers die fijnproevers moeten worden: we mogen onze neus onhandig laten ruiken aan een kurk. Hij zal ons eens wat laten proeven vanavond, want het is allang geen hobby meer. Zijn smakenpalet heeft hij zo meesterlijk mogelijk verfijnd. Nu zijn wij de liefhebbers.

Is daarbij de Beuckelaer-trend, van het schaamteloos tonen en genieten van voedseloverdaad, dan verloren gegaan? Dat lijkt me niet. Ook daarvan zijn er hedendaagse liefhebbers.

Het fotograferen van voedsel is al een tijdje in zwang, en heeft dankzij de populariteit van Instagram een hoge vlucht genomen. Foto’s van ‘sexy’ voedsel, liefst zelf gekookt naar eigen recept. Instagrammers tonen hun eigen gemaakte salade met glanzende olie op de plakken avocado. Net als Beuckelaer en zijn tijdgenoten, geniet de hedendaagse foodie erop los. Hij schept op en schept daarover op en zijn liefhebberij, zijn amateur-zijn, gaat samen met zijn meesterschap van stofuitdrukking: de beste foto heeft het juiste filter.

Na overdaad komt subtiliteit en tegenwoordig bestaan die beide dingen in de eetkunst naast elkaar. Voedselfoto’s kun je knipogend ‘foodporn’ noemen, terwijl de wannabe op TV de hobbykoks de meester willen worden.

Gewoon een oester
Lionel Shriver, Amerikaanse schrijver die taboes niet schuwt, vertelde in een interview dat zij denkt dat in onze cultuur eten belangrijker is geworden dan seks. We vinden die oester op dat schilderij nu interessanter als oester dan als afrodisiacum of morele boodschap. Het idee is wellicht dat in onze cultuur, waarin slank willen zijn een grote ambitie is, de verboden vrucht ondubbelzinnig in een echte vrucht veranderd is.
Dat we eten als kunst kunnen zien komt eigenlijk doordat we zo verwend zijn. In rijke landen is er voedsel in overvloed en wordt het een opgave om er zo weinig mogelijk van te eten. Daarnaast is zowel het bereiden als het eten ervan tot kunst verheven. Ons eten is amper nog herkenbaar als eerste levensbehoefte.
Voor je het weet is genieten van eten verworden tot een vorm van kennerschap en als je niet oppast ben je als enthousiaste kok iemand die kunstenaar wil zijn. Zelfs het woord ‘amateur’ betekent niet langer ‘liefhebber’, maar iemand die zo goed mogelijk wil presteren.

Dan is de uiteindelijke vraag misschien wie nu de echte Beuckelaer is- de uiteindelijk uitverkoren‘Masterchef’ of de filterstrooiende Instagrammer? Qua thematiek komt die laatste eigenlijk het dichtst bij. Die is het tenslotte vooral om onze ogen te doen: wanneer hij zachtjes het juiste filter over zijn Eggs Benedict legt kan hij onze goedkeuring al bijna proeven.
Bovendien, de echte kunst in ‘foodporn’ zit hem toch nog steeds in het aftroeven, net als in de zeventiende eeuw. Alleen tonen we ditmaal niet alleen onze voorraadkast aan rijkdom, maar ook onze vaardigheid in koken en vooral genieten. Na godsdienst of smaak is geluk tegenwoordig misschien het grootste goed en toont de hedendaagse burger daarmee zijn rijkdom in de maatschappij. En hoe meer je kan genieten, hoe gelukkiger je lijkt.

Gepubliceerd in cultureel magazine De Optimist (februari 2014).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s