Labradors en herdershonden

Als ik net in bed lig laat de overbuurvrouw haar twee Duitse herders uit. Niet elke dag, of ik hoor het niet elke dag. Het klinkt een beetje eng, ze piepen opgewonden en dierlijk omdat ze de deur uit mogen, de voordeur knalt open in een verder al stille straat, ook al ligt die in een niet al te beste wijk.

Brommers, dronken studenten, schreeuwende wijven, mensen die bierblikjes op de vloer voor mijn deur gooien, plastic zakken van de döner aan de overkant. Soms vis ik ‘s morgens wat zakjes uit de heg, tussen duim en wijsvinger maar niet meer mijn neus dichtknijpend. Vaak genoeg zit ik overdag met mijn buurvrouw een raketje te eten op mijn vast geketende bankje.

Een van de eerste weken zette ik mijn fiets in mijn schuur en zag ik daar wat commotie, ik douwde mijn hoofd om de hoek en zag mijn achterbuurman staan, dichterbij dan ik had verwacht. Hij stond naast een heel grote rottweiler die op zijn zij lag te hijgen op de grond. Het was heet, het was zomer, daar niet van, maar dit was niet goed. Er stonden twee andere mannen naast, allemaal groot en Gronings pratend, met de armen over elkaar.
Ik zag de hond en zei: ‘Ach’. De buurman keek me aan en begon in zijn normale joviale toon te praten, over dat het een aflopende zaak was en jammer en hij grijnsde onhandig. Ik zei sterkte en bleef naar de hond kijken tot hij ook weer naar de hond keek, toen weer naar mij. Ik groette, hij groette.
Daarna begon hij altijd een praatje als hij langskwam en vroeg hij in een van die eerste gesprekken hoe mijn kat heet.‘Dat kleine grijsje ja, is die van jou? Ja ik hou ‘m in de gaten, want hij is bang voor mijn hond hè.’ De overgebleven labrador heeft hij altijd bij zich. Het is een mooi beest, net als de herders van de overkant, alleen is deze iets te dik.

Toen ik voor het eerst door deze straat liep dacht ik ‘Het valt eigenlijk wel mee’, maar ook was ik nog niet helemaal op mijn gemak en vond ik alles vies. Overal ligt troep en geen tuintje ligt er netjes bij, mensen zitten buiten en eten patat en drinken bier, ze blèren heel harde muziek, hun jochies van negen kunnen urenlang onvermoeid een net opgepompte voetbal tegen een zijmuur trappen.
De jongens van de Döner waar de herdershonden boven wonen lijken in de zomer continu hun brommers te moeten opvoeren, maar daarnaast zit een van de vrouwen in een plastic badje met haar nieuwe baby die ze met rust laten. Zij schreeuwt voor de gelegenheid niet. Zij is de moeder van een van de voetbaljochies en de vrouw van de man die altijd fluitend groet als hij zijn auto wast.

In haar joggingpak zie ik de overbuurvrouw ‘s morgens soms ook, als ik mijn koffie drink loopt ze langs voor mijn raam. Soms nog in haar pyjama, alleen om ze even te laten poepen op het veldje om de hoek.

Er is niets aan de hand, weet ik, luisterend naar de honden. Ik kan me voorstellen hoe hun slijtende heupen de trap afrennen van de bovenwoning en de buurvrouw  op haar gemak een sigaret staat te roken, als ik daarvoor mijn best zou doen. Maar ik lig in bed en ik luister en het is net alsof de straat toch wel gevaarlijk blijkt als die beesten in het donker de deur uit knallen tijdens het uitstoten van niet ingehouden, dringend gepiep.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s