It means daaarling

“It means daaarling”, zei de vrouw, voor ze een enorme hap van haar stroopwafel nam. Ze was anders dan mijn andere thuiszorgdames. Ik maakte alleen schoon, persoonlijke verzorging deed ik niet, daar had ik de diploma’s niet voor en bovendien geen zin in. Wat ik deed was afstoffen, stofzuigen, poetsen, soms een boodschap en meestal in totaal toch wel drie kopjes koffie tussendoor en 1 of misschien wel 2 koekjes daarbij.

Van deze kreeg ik meteen al twee stroopwafels die Echt waren, echte roomboterstroop zat ertussen, dat merkte ik meteen toen ik de eerste van het porseleinen schoteltje tussen mijn vingers nam en voelde hoe mijn vingertoppen vet werden.

Zij at met smaak. Ik vond haar niet irritant, terwijl ik luid kauwen doorgaans hartgrondig haat. Ook had ze een tegeltje in de gang hangen, het was het eerste wat me was opgevallen toen ik de eerste keer aarzelend was binnengestapt en zij al met grote stappen voor me uit terug naar haar woonkamer aan het lopen was – een tegeltje met een tekening van voetstappen in het zand en een tekst daarboven, een gedichtje over God die op de moeilijkste momenten ons verdriet draagt of iets dergelijks – ook dat irriteerde me bij haar juist niet.
Ik vond haar een verademing en ik vond het een plezier om voor haar te werken, terwijl ze een heel vervelende cliënt had moeten zijn. Ze lachte hartstochtelijk en ze vond het leven hilarisch en ze vond veel van haar vriendinnen en mensen van haar leeftijd belachelijk. Ze was zeer ecologisch verantwoord en ik moest alles elke week opnieuw schoonmaken met hetzelfde ranzige speciale doekje, waarbij je geen schoonmaakmiddel nodig zou hebben.

Ze hield van cryptogrammen en ze was op dieet. Het was zomer, zo’n tien jaar geleden en ze deed aan Gezond en slank met Dokter Frank. Haar echte dokter had haar het niet afgeraden, zei ze monter, terwijl ze net na mijn binnenkomst haar ochtend-omeletje stond te bakken. Ze mocht geen koolhydraten maar wel heel veel vet. “De dokter zei dat in mijn pis bijna alleen maar vet zat”, lachte ze, terwijl ze de koekenpan-steel een tik gaf, zodat het ei los kwam van de bodem. De geur van het sloffe doekje dat ik alvast aan het spoelen was vermengde zich met die van het vette ei.
Als ik bijna alle kamers had afgenomen ging zij alvast weer de keuken in en verdreef ze die geur door een nieuwe te creëren: die van verse koffie en soms, gecombineerd daarmee, alvast haar vreemde lunch. Dat kon van alles zijn. Het was vaak iets met tonijn. Ze was er gek op.
Ik mocht, toch, als ik nog niet klaar was, een minuut of tien haar cryptogram uit de AD bekijken omdat ik dat leuk vond en ze zei dat ik er goed in was. Zij stond naast me uien te snijden en ik was nog niet eens begonnen aan de was.

In haar keukenvensterbank stonden planten te verpieteren. Een andere cliënt van mij had dat verschrikkelijk gevonden, dat wist ik zeker, die had dat niet kunnen aanzien. Als zij voor de planten van haar buurvrouw moest zorgen dan had ze altijd het gevoel dat ze eindelijk daarvoor de kans kreeg. Want iedereen liet zijn planten maar zomaar doodgaan. Ze was daar verontwaardigd over en soms heel erg boos, net als ze overal verontwaardigd en heel erg boos over was en daarbij altijd weer terug leek te komen bij haar man die haar in de oorlog had verlaten, toen ze nog geen dertig was en al vier kinderen had.
“De oorlog, zei die cliënt, “ik stierf bijna aan de difterie. Maar net niet. En ik had op mijn achtentwintigste al een kunstgebit. En weet je wat ze je nooit zeggen? Dat anderhalve week na de bevrijding de wittebroden alweer in de goten lagen te verpieteren. Mijn zus was gestorven in de hongerwinter en ik ook bijna. Aan difterie. En de wittebroden lagen alweer te beschimmelen. Een week.”
Toch was het ergste dat haar man haar verlaten had en ze toen een gescheiden vrouw geworden was. Net als deze cliënt, genietend van haar cryptogrammen en boterstroopwafels. Ze had ook een tic, herinner ik me nu: de was moest altijd heel recht naar beneden opgehangen worden. Er mocht absoluut geen stukje stof over de waslijn gevouwen worden, alles moest naar beneden hangen, want anders werd het niet droog.
Zij had het zelf gedaan, ze was zelf weggegaan bij haar man. Ze vertelde me daar een keer over, hoe haar buurvrouw buiten stond te kijken naar hoe de verhuiswagen piepend achteruit reed en dat ze toen vanachter het raam had gezwaaid.

Liefke heette ze eigenlijk, vertelde ze me pas na een keer of zes, omdat ik had gevraagd hoe zij toch aan zo’n Brits klinkende naam (Lily) kwam. Ze vertelde hoe ze ooit op vakantie in Engeland had uitgelegd wat haar naam betekende en hoe belachelijk ze dat toen vond klinken en dat ze hem maar gauw veranderd had. Ze stikte bijna van het lachen in haar stroopwafel, terwijl ze zichzelf nadeed.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s