Fantaseren over bediendes

Tijden van vroeger spreken tot de verbeelding. We stellen ons voor hoe het zou zijn geweest om in het oude Griekenland naar de eerste Olympische spelen te gaan, of in de zeventiende eeuw met een tulpenbol een gouden koets te kopen – (of op bezoek bij het atelier van ene J.H. van der Meer), of in de negentiende eeuw – behoorlijk vlakbij eigenlijk – onderdeel te zijn van de Britse adel en in korsetten of breeches rond te lopen, hoe het zou zijn geweest om ‘s morgens door een bediende te worden aangekleed.

De schrijver van Downton Abbey had het geniale idee om ons de realiteit te doen inzien: waarschijnlijk was je namelijk niet die mooie mevrouw in die te strakke jurk geweest, maar dat bleue dienstmeisje die haar keukenvloer schrobt. Het leven is hard en de wereld reëel, in Downton Abbey.
Ik keek de serie natuurlijk achter elkaar, want het is verslavend tot en met en was er toen van verlost. Al maanden heb ik er niet aan gedacht. Ik las laatst ergens dat er een nieuw seizoen is – dat heb ik nog niet gekeken. Maar ik lees nu een boek waardoor ik er weer aan denk.

Ik lees Lady Chatterleys Lover, een boek dat in 1928 werd geschreven en pas in 1960 werd gepubliceerd, maar nog steeds niet zonder slag of stoot – om het grove taalgebruik (fuck, fuck, fucking, penis, penis penis) en de vele seksscènes. Het boek gaat over een jonge gezonde vrouw die haar gezondheid langzaam verliest, zowel lichamelijk als geestelijk, als ze op haar achtentwintigste, na een paar jaar huwelijk, wegkwijnt in dat leven dat in Downton zo prachtig lijkt. Ze heeft geen ongelukkig huwelijk – haar man behandelt haar niet slecht, ze wordt niet gehaat of geslagen en ze haat of slaat zelf niet. Maar, zoals Lawrence zo mooi beschrijft in woorden die ik niet opnieuw kan vangen: ze heeft geen contact. Ze kwijnt weg in de vreemde wereld van dat leven: met zijn tweëen in een enorm huis, waarin haar man zich vermaakt met andere dingen, ze niets te doen heeft en nauwelijks worden bezocht door vrienden. De dorpsbewoners zijn beneden haar stand dus daar hoort ze niet mee om te gaan en ze maken haar dat ook sluw duidelijk; dat ze daar geen behoefte aan hebben – zonder haar, de upper class te schofferen, natuurlijk. Het contact met haar eigen huurders – de mensen die op hun landgoed wonen, is ook ongelijk en dus om wanhopig van te worden, want niemand praat tegen haar als was ze een mens en de bediendes, tenslotte, met wie ze notabene in hetzelfde huis woont, ziet ze bijna nooit. Ze is volkomen verloren. De seksuele relatie die ze krijgt met de tuinman wordt beschreven als was het de laatste injectie van normaliteit die haar nog kan redden. Ze heeft gewoon behoefte aan contact met een ander mens, iemand van vlees en bloed die haar eigen bloed weer doet stromen, iemand die herkent dat ze een mens is en haar zo behandelt. De aanraking van huid op huid wordt beschreven alsof het lichaam wordt opgewekt uit een vreemde slaap van depressie die de maatschappij van toen haar opgeleverd heeft.

Een film waar ik aan moest denken die hetzelfde lijkt te doen als Lawrence, was Maurice – een verfilming van een boek van E.M. Forster. Het speelt zich af in ongeveer dezelfde tijd en gaat over een man die verliefd wordt op een andere man en zich, net zo wanhopig, onmogelijk ziet die volkomen natuurlijke behoefte te vervullen of te uiten in het maatschappelijk systeem van destijds. Uiteindelijk krijgt hij óók contact met de lagere klasse:  dat ras van normale arbeiders die gewoon aan het werk zijn en de hulpeloze adel kunnen verlossen van hun vreemde etherische niets-leven. Hij wordt verliefd op – ah, wederom de tuinman, en daaruit voort komt één van de beste scènes, na het fysieke contact: de tuinjongen gedraagt zich en praat tegen hem als een trotse man, die zich volkomen gelijk aan de “Lord” ziet. De Lord ziet in dat hij gelijk heeft en ze leven nog lang en gelukkig. Maar natuurlijk volkomen buiten de maatschappij. Overigens deed Forster in het echt iets gelijkwaardigs.

Zowel Forster als Lawrence lijken te schrijven (al is het natuurlijk fictie) over de realiteit van de maatschappij uit de tijd dat in Engeland de grote klasseverschillen volkomen onoverkomelijk leken. En: niet de bediendes zijn er het slachtoffer van, maar juist de verloren en verveelde adel zelf. Het gaat over de onzinnigheid, de volkomen belachelijke constructie, van een maatschappij: sociale normen en mores waar iedereen zich aan dient te houden die de mens ervan weerhouden een natuurlijk mens te kunnen zijn. Het doet Downton Abbey ineens een vreemde fantasie lijken, voortkomend uit onze huidige maatschappij.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s