Binnenkijken

Het is weer donker. Bijvoorbeeld als ik nog snel voor het eten naar buiten stap voor de boodschappen en de voordeur achter me dicht trek. Die draai ik ook meteen op slot, want ik woon in een ‘gevaarlijke’ wijk. Bij mij staat vaak de politie ‘s nachts in de straat. Het geeft een Boy cried wolf – effect: toen laatst ‘s nachts de brandweer aanbelde deed ik niet eens meer open. Het was ook niets, het ging om de vuurkorf van de buurvrouw, die midden in de werkweek nog weleens door blijft borrelen met haar beste vriend, tot ze verbaasd ontdekken dat het alweer ochtend is.

Op bevrijdingsdag 2012 kreeg ik de sleutel van dit huis. Toen het in dat jaar herfst werd en de wintertijd was ingegaan zei een vriend: ga eens buiten je huis staan en kijk dan eens omhoog. Laat de luxaflex open. Ik deed dat en zag, eenhoog: twee ramen, en tussen de strepen van de luxaflex geel en gezellig licht daarachter, van twee lampen aan het plafond. Ik zag een deel van mijn boekenkast, die aan een hele muur zit vastgeplakt en lekker vol zit, ik zag planten in de vensterbank en een kussen met een kat. Ik zag wat ik wilde dat ik tien jaar geleden had gehad. In Rijssen waren de gordijnen altijd dicht. Ik heb nu een kat erbij, een kitten, mijn derde kat alweer. Er was een tijd dat ik dacht dat ik altijd katloos zou blijven – in onze familie had je dat niet, een kat, een hond, een hamster. Ik zag mijn huis, ik zag mij.

In het jaar ervoor was er voor het eerst kerst geweest zonder mijn vriend en mijn broer. De een was weg, de ander dood en daar zat ik, ineens alleen tussen een oma en twee ouders, tussen mensen die al veel te oud waren en van mij, toen al dertig, verwachtten voor de komische noot te zorgen, de sfeer luchtig te houden, alsof ik een kleuter was van drie die door de kamer zou gaan drentelen. Er werd naar zo’n kleuter gesnakt, ook door mij. Men had zulke kleuters om ons heen, maar wij niet. Na het eten ging ik naar buiten.

In de Rijssense vinex was niemand te zien. Ik hoorde mijn voetstappen er galmen, alsof ik nooit onbetrapt terug kon gaan. Overal was duisternis, zelfs de lantaarnpalen leken zachter te staan. Er was geen mens op straat.
Alsof ik het meisje met de zwavelstokjes was keek ik overal naar binnen. Men zat te eten in de keukens. Ik zag gezinnen die ik niet meer had en ook niet meer op het punt stond te gaan maken.

Maar ach, als ik beter keek – erg veel vreugde zag ik niet. Het was Rijssen, tenslotte. Veel keukens waren donker, want de vrouwen liepen in rokken tot hun enkels en verstopt onder hoeden driemaal die dag en dus ook dat uur nog naar de kerk. In huizen die nog wel bevolkt waren (katholiek, zoals wij, misschien) zweeg men vaak, zo te zien, terwijl er soep in borden gelepeld werd. Iemand die stiekem onder een carport stond te roken maakte stiekem met mij oogcontact. Ik stapte door de straten en ik sliep nog bij een vriendin, ik droomde van een huis voor mezelf. Iets gezelligs, met een grote boekenkast, een kat?

Ik heb ook nog een vloerkleed bovendien. Zojuist stapte ik weer de deur uit en bleef ik buiten even staan – keek ik weer naar binnen, naar mijn huis, ik had de luxaflex er speciaal voor open gedaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s