De winter in zintuiglijke waarnemingen

Vroeger
Sneeuw op tong. Sneeuwbal op neus, zere oren, vingers die handschoenen om zich heen hadden moeten hebben, nu dood van de pijn als net binnengestapt, moeder die ze tussen haar handen warm wrijft, te hard. Niet te snel voor de verwarming gaan zitten.

De zwemtrainingen anders beginnen: de handen en voeten die je in het water doopt als enige koud, de rest van het lijf is warm en koelt, nu uitgekleed, af. Normaal koude water dat nu warm is, handen en voeten die langzaam gaan gloeien en heet worden, de rest van het lijf die juist kouder wordt. Kippenvel op je bovenarmen maar de eerste vijf minuten nog geen borstcrawl.

Het gekraak onder het ijs als de schaats erop staat. Het schurende slijpgeluid van de schaats die onder je voet aan het schaatsen is. Het is glad. Hoe het ijs zwart is, pikzwart en alle krassen van schaatsen erop zijn witte veegjes van kleine kwastjes en de scheuren erin dikke vette grillerige krijtstrepen.

Sjaal voor je mond wordt van je adem te warm en dus nat. Heel vroeger: de touwtjes waaraan de wantjes vastzitten onder je jas op je rug.

Door het bos lopen op krakende bevroren bladeren. Jeneverbessen van coniferen plukken op de hei, je handschoen uitdoen en ze fijnwrijven en eraan ruiken en ze weer weggooien. Dan de hele dag je vingers die ruiken naar jeneverbes.
Later bij de kachel net zoiets: met sinaasappels of een mandarijn. Sinaasappels in parten snijden en in de vensterbank leggen. Een theepot van steen die zomaar op de kachel kan staan en je met een pannenlap moet optillen.

Een kerststal opzetten. Elk groot beeld, dat te zwaar is, voorzichtig uit het ritselpapier halen, voorzichtig voorzichtig. De wedstrijd wie de engel heeft. Nieuw mos uit het bos halen en dat eronder leggen. Dan de ballen in de boom en op de schouders van je vader voor de piek. Voorzichtig. Engelenhaar. Niet aaien! Niet aaien! Het snijdt, het is eigenlijk glas.

Nu
Langzamer fietsen zonder licht door plassen die glinsteren in het licht van gele lantaarnpalen. Galmstappen door straten die ‘s nachts te donker zijn maar het is geen nacht, het is gewoon nog overdag. Supermarkten die veel feller zijn verlicht.

Sjaals om, dikke jassen aan die te warm zijn, handschoenen af en toe. Hardloopschoenen die niet meer drogen.

Droge huid van verwarming. (Overal kleine bakjes met water neerzetten).

De appels van de boom die niet worden geplukt in de herfst en aan het rotten waren, maar nu zoet ruiken, ‘s morgens naast het fietsenschuurtje.

In koud bed stappen. Condens of soms ijsbloemen op de ramen en dan Frits van Egters nadoen.

Hete douche na hardlopen. Stoom. Huid rood zien worden.
Het hardlopen ervoor: vingers rood zien worden en dan weer wit, hijgen dat sneller pijn doet en scherper voelt in keel.

Glanzende straten van de markten en de lichtjes die erboven opgehangen worden vanuit café’s bekijken, vanuit serres waar terrasverwarmers hangen een slok wijn of whisky of speciaalbier met bruin badschuim nemen – kijken naar buiten het glas. Waar mensen langzaam langslopen arm in arm, onder verlichting die lijkt op ijspegels die naar beneden vallen.

Hetere koffie drinken dan anders en zwartere. Later opstaan. Later naar bed gaan. Niet de slaapkamer in willen waar alles nog koud is.

Niets meer doen als het donker valt. Niet stofzuigen in het donker. Kaarsen aansteken en muziek luisteren en wachten op de kat die binnenkomt van de nachtjacht. De kat ruiken als hij weer binnenkomt, neus in vacht steken die ruikt naar aarde en naar sneeuw die nergens is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s