Team

“Ik ben geen teamsporter”, zegt de vriendin die ik van karate ken. Ze heeft haar theeglas tussen haar vingers en zegt het niet mijmerend voor zich uit, maar stellig, als iets wat ze inmiddels echt zeker weet. En ook alsof het iets is wat haar niet is gelukt, teamsporten – er zit een vleugje verdediging in.
“Ik ook niet”, zeg ik.
“Ik ben er te egoïstisch voor”, lacht ze.
“Ik ook”, zeg ik.
“Hardlopen”, zegt ze.
Ik kijk naar een vogel in de tuin.
“Dat lukt me nog wel”, vervolgt ze.
“Mij ook.” De vogel hakt met zijn snavel in een Chinese roos. Ik snap niet waarom. “Zwemmen”, zeg ik richting de vogel.
“Zwemmen?”
“Ja. Ik zwem ook. Ik zwom altijd”, verbeter ik mezelf, terwijl ik mijn blik terugbreng naar boven de picknicktafel, “Ik heb altijd gezwommen vroeger. Dat was mijn sport.”
“Ah?” zegt ze.
“Ja.”
“Volleybal”, zegt zij. Ze rekt zich uit en zucht.
“Ah?”
“Yep!”
Ze zegt verder niets. Het is een mooie zomerdag. Haar baby slaapt, maar waarschijnlijk niet voor lang. Het raam boven ons staat open zodat we haar zullen horen zodra ze wakker wordt. Toch voelen we rust.

“Ik ging rondjes hardlopen door het pioenpark, maar dat vond ik wel ver hoor”, begint ze dan weer.
“Ja? Hoeveel deed je er?”
“Pff… drie! Ik vond drie al teveel!”
“Drie ís veel.”
“Ik was in een half uur al klaar. Te moe.”
“Dat is normaal voor hardlopen hè”, zeg ik. Ik denk aan de karatetrainingen, waar we in een uur op dinsdag en anderhalf op donderdag helemaal worden gesloopt door de sensei. Helemaal als zíj, een van de zwarte-banders, sensei is. Ze sloopt haarzelf erbij – in tegenstelling tot de dikke andere zwarte-bander die soms een training overneemt, doet zij alle oefeningen die ze ons opdraagt ook zelf.
“Tien squats!” roept ze dan, terwijl ze zelf al meteen bukt en hardop begint te tellen, waarbij elke tel hijgeriger klinkt.
“Jij kan gewoon niet rustig aan doen”, zeg ik.
“Yoga”, zegt ze.
“No way!”, lach ik haar uit. “Dat is kut hoor.”
“Ja?”
“Je zweet helemaal niet.”
“Oh.” Ze lijkt meteen overtuigd.

“Is dat de reden?” vraag ik. “Te fanatiek?”
“Wat?”
“De volleybal. De groepstraining.”
Ze kijkt me onnozel aan.
“Het teamsporten”, zeg ik.
“Oh”, zegt ze haastig, “Ja, ja.”

Ik drink mijn thee op.

“Nou nee. Ik ben er ook gewoon slecht in.”
“Ah.”
“Blauwe armen, altijd.”
“Ja, kutsport.”
“Niet vol te houden”, zegt ze.
“Voetbal”, zeg ik.
“Voetbal?”
“Yep.”
Ze blijft me verbaasd aankijken.
“Ja, drie maanden. Toen gestopt.”
“Kutsport?”
“Nee, kutcoach.”
“Ah, ja?”

Ze denkt even na. “Maar ik weet het niet, zegt ze”, als ik sport, dan… ja. Ik weet het niet.”
“Dan moet ik alleen zijn”, zeg ik.
“Ja!”
“Geen rekening houden met anderen.”
“Ik moet echt alleen zijn. Ik word moe. Ik ga in the zone, ik word… ik wil gewoon geen andere mensen aan m’n kop”, zegt ze.
“Concentreren”, zeg ik.
“Concentreren”, zegt ze, “en rust en het volhouden en moe kúnnen worden en je geest uitschakelen.”
“En ik wil winnen”, zeg ik.
“Haha!”
“En dan word ik een bitch spits die langs iedereen heen wil rennen met de bal. Ik ben het liefst een eenmansteam.”
“Dat is niet de manier hè”, zegt ze en ik weet dat ze nu als sensei spreekt.
“Jawel”, zeg ik.
“Wax on, wax off!”, zegt zij, met een wijsvinger omhoog, en ze kijkt naar de schutting en zegt: “Ik moet die schutting nog lakken.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s