Jeneverbessen

“Ze hebben hier de A1 helemaal omgelegd”, zegt m’n vader, terwijl hij het hekje voor mijn moeder en mij openhoudt, “voor de jeneverstruiken.”
We liepen net over de brug, het verkeer raasde onder ons door en nu vind ik de brug enger dan toen ik nog heel klein was en het leek alsof een enorme wand alles afschermde. Die wand blijkt maar tot mijn knieën te komen. We stappen de heide op.

“Hier loop ik altijd op zondag m’n rondje hè”, zegt m’n vader.
Mijn moeder zegt niets.
“Ja, mooi hoor”, zeg ik.

We stappen door het rulle zand en zien plassen die ijs zijn geworden. Het ijs is zo kraakhelder en dik dat het glas lijkt. Mijn moeder stapt er op één en pakt een scherf. Ze houdt hem vast en terwijl we doorlopen drupt de scherf dikke klodders water in het mulle zand.

Er zijn overal jeneverstruiken.

Ik moet inwendig lachen om hoe mijn vader zijn verhaal vertelt – niet met weidse gebaren, niet om indruk te maken maar om duidelijk te maken dat iets van belang is – wéét je dat wel, zegt hij eigenlijk, en hij is streng, het is van belang dat ik het wéét, van de jeneverstruiken.
Hij zegt: “Da’s anders gewoon zonde.”
Ik lach hardop.
Hij kijkt verbaasd om en kijkt me aan en vertraagt zijn pas en herhaalt met nadruk: “Dat is toch zonde man.”
Ik zwijg.
“Dat heeft toen zo’n boswachter… geoloog… of zoiets gezegd. Die zei dat.”
“En toen werd de weg omgelegd.”
“Ja”, zegt hij trots en bozig tegelijk.
Mijn moeder heeft één natte hand, hij is rood geworden van de kou, het ijs is weg. Ik speur naar de struiken naast me en durf bijna niet van het pad te stappen omdat ik weet dat we in beschermd natuurgebied zijn. Ik zie nergens een struik die bloeit. Ik zoek de kleine bruine besjes.
“Of nee,” zegt mijn vader, na nog een stuk lopen, hij stopt abrupt en keert zich om en priemt een vinger in mijn richting, hij kijkt me ernstig aan en zegt: “nee, de weg bestond nog niet, dat was bij de aanleg ervan.”
“Bij de aanleg”, zeg ik.
“Ja.”
We lopen een stukje met zijn drieën naast elkaar. Op het brede zandpad in het stuk bos kan het makkelijk. Het is koud en de zon schijnt fel tussen de bomen door.
“Het wordt hier straks heel mooi als als het loof weer doorkomt”, zegt mijn vader afwezig, terwijl hij tussen de zwarte kale stammen door tuurt.
Het bos houdt op, we lopen weer over de heide tussen de struiken en hij vervolgt: “Ja, bij de aanleg dus hè. Toen hebben ze dus gewoon een hele omweg gemaakt met die A1. Omdat anders die jeneverstruiken hier niet meer zouden bestaan.”
“Ik wil er eentje die bloeit”, zeg ik.
“Ja, dat vind je nu niet”, zegt m’n vader.
“Ze bloeien toch in de winter?” vraag ik.
“Ja?”
“Met van die bruine besjes.”
“Nee. Blauwe”, zegt m’n moeder, “kijk.”
We staan stil langs de kant van het paadje, waar een struik staat, vol met kleine felblauwe besjes. Ik pluk er één en ruik eraan. De bes ruikt als hij heel is nog naar niets. Ik wrijf hem fijn tussen mijn vingers, en pluk er nog eentje en nog één. De geur is een combinatie van bosbes en conifeer.
“Ruik maar”, zeg ik tegen mijn moeder en ik duw mijn wijsvinger en middelvinger onder haar neus. Ze deinst eerst terug en ruikt dan.
“Lekker”, zegt ze. “Lekker fris. Maar het is ook een koude dag.”

Twee uur eerder waren we naar een nieuwe bloemenzaak gegaan. Ik wilde narcisjes, die dan zo mooi open zouden gaan, langzaam, de komende weken, omdat er elke dag een paar uur zon schijnt op de steen.
“Niets mee doen”, zei de bloemenmevrouw terwijl ze de bollen in een houten bakje propte dat niet kapot kon vriezen en stukken mos ernaast duwde, “geen water, niets, gewoon niets aan doen.”
“Maar hij moet wel in de zon”, zei ik.
“Ja, hij moet wel in de zon.”

We lopen verder over de heide en nergens zie ik nog een bloeiende struik. Er was er maar één. Het is na lunchtijd.

Toen we er waren die ochtend was er nog geen zon op de urnenmuur. Er waren bomen die schaduwsporen van rijp op het gras van het kerkhof achterlieten; zilverwitte schaduwen hadden de bomen die ochtend gehad.
We liepen na gestaan te hebben bij de urn naar de achterkant van het kerkhof, naar de plekken waar de zon al was. Ik stond naast een boom en zag een ekster die naar een nest precies boven mijn hoofd vloog en daar op ging zitten.

“Misschien schijnt de zon er nu op”, zeg ik tegen mijn moeder.
“Dat denk ik wel”, zegt mijn moeder terug.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s