Ijs

Het eerste wat ik deed toen ik uit het vliegtuig was gestapt en in Florence aangekomen was, (Firenze moest ik vanaf nu gaan zeggen!), was met mijn rolkoffertje naar de eerste ijssalon stappen en daar ijs bestellen.
Terwijl de man met de dikke spatel het crème-achtige spul in grote halen uit de bak opdiepte knoopte ik mijn jas los, gooide ik mijn sjaal van mijn nek. Ik koos random twee smaken. Wat gaf het, het was ijs, het was Italië, en hier is alle ijs goed en ik woonde hier nu, dus wat maakte het uit dat het elf uur ‘s morgens was, ik kon het vanmiddag zo weer doen.
Ik at het ijs in mijn winterjas naast de ijssalon staand. Er waren weinig mensen op straat. Het was stil. Ik voelde me alsof ik de stad nu al voor een deel bezat, nu ik lukraak welk ijs ook op welk moment ook in deze stad kon consumeren. Kiezen en zuinig zijn en zorgvuldig is voor toeristen, die hun tijd moeten verdelen. Ik kon zoveel ijs gaan eten als ik wilde en dat heb ik ook gedaan.

In het park van Rijssen is een groot grasveld waar vroeger op koninginnedag de kramen met etenswaren stonden en daar, tussen alle vette warme hartige dingen, was ook een kraam met alle soorten ijs.
We namen twee bolletjes, mijn broer, zijn schoolvriend en ik. Toen ik van mijn ijsje likte keek de vriend van mijn broer verbaasd en zei hij: “Jemig. Wat een combi.” Ik weet niet meer welke combinatie het was, maar ik herinner me het moment, waarschijnlijk omdat ik me op dat moment voor het eerst realiseerde dat je natuurlijk ook beide bolletjes kon mengen, tijdens het eten ervan, dat je niet eerst bol één at, dan bol twee. Tenminste: zo zag hij dat. Vanaf dat moment ik ook.

In Italië, het land waar ze zeer zorgvuldig met smaken en ook met hoe je die moet nuttigen omgaan, is mij eigenlijk nooit iets geleerd over het eten van ijs. Bij allerlei andere dingen werd ik op vriendelijke wijze op mijn vingers getikt. (Bijvoorbeeld toen ik plakken van de salami sneed van ongeveer een centimeter dik – haha, nee meisje, zo doe je dat natuurlijk niet. Ze moeten flinterdun. Kijk, zo. Zie je. Of toen ik in de zon wilde gaan zitten tijdens het eten van de lunch. Nee man! Dat is niet goed voor je maag. Hup, eruit jij. Hier – een parasol. Neerzetten. Toe maar. En hier een karaf water. Zo. Goed zo. Nu pas eten. Of toen ik rode wijn wilde bestellen bij pizza – eh… weet je dat wel zeker? Allemaal op precies dezelfde vriendelijke toon als waarop verkeerde klemtonen werden rechtgezet, ik leerde dat woorden niet mannelijk maar vrouwelijk waren – dat ik het wel goed deed, maar net niet helemaal. Haha. Kind toch. Bij pizza drink je bier.)
De italianen zijn er zorgvuldig in, maar het zijn geen regels. Het is meer het optimale kunnen genieten van iets. Niemand vond dat ik iets verkeerd deed, alleen: als je het zo doet is het wel echt op z’n best hoor. Probeer dat maar eens.
Maar- niets van dat al, dus, bij ijs. Daarbij kwakken ze de witte kartonnen bakjes middels dikke plastic spatels vol met alle verschillende kleuren door elkaar: felroze, felgroen, blauw, oranje, chocolade! Alles kan. Hoppa.

Een vriendin van me heeft een ijsmaker waar ze niets meer mee doet. In de zomer dat ze die gekocht had maakte ze ijs. Wij aten het.
Iemand zei: “Goh, ja. Lekker. Maar er zitten wel veel kristallen in.”
“Ja, er zitten wel veel kristallen in”, zei ik nu ook.
De personen die niet meteen begrepen wat er bedoeld werd zochten met hun lepel door hun lichtbruine mokka-ijs tot ook zij kristallen gevonden hadden. En zeiden: “Ja. Kristallen.”
“Ja, daar kan ik niets aan doen geloof ik”, zei maakster en gastvrouw fronsend en tegelijkertijd laconiek zuchtend.
Ze probeerde het nog een paar maal, maar elke keer opnieuw: kristallen. Toen gaf ze het maar op.

Van de Absoluut Allerbeste Ijssalons Ter Wereld ken ik er twee:

  1. Siena, aan het plein
    Mijn docent Oude Italiaanse kunst nam ons mee naar Siena – dit klinkt gezellig, maar dat was het niet en hij dwong ons daar te gaan eten terwijl hij tegen ons zei: “Ijs! Jongens! Jullie moeten ab-so-luut daar ijs gaan eten.” Hij kapte ons marcheren af, stond voor de ijssalon stil en wees ernaar. “Dat is de beste ijssalon van heel Italië. Echt.” Braaf reageerden wij met instemmende geluiden, geluiden die zeiden dat we onder de indruk waren en enkelen van ons stapten acuut de drempel over en bestelden er ijs. De docent bleef buiten staan en keek goedkeurend en grimmig toe, met zijn armen resoluut over elkaar geslagen. Ik at niets want ik was doodmoe en ik vond de man stomvervelend.
    Toen ik in Firenze woonde en mijn ouders op visite kwamen en ik hen meenam naar Siena zaten we een tijd op het plein naar de Duomo te kijken en te genieten van de zon. Daarna stonden we op en nam ik ze mee, en in mijn functie van gids gebaarde ik naar de ijssalon en ik zei: “Kijk. Dat is nou de beste ijssalon van Italië. Daar is het ijs echt goed, dat moet je eten.” Dus mijn vader en mijn moeder en ook ik bestelden er en aten het ijs.
  1. Firenze, in een zijstraat (Via San Gallo?) van het plein
    Een keer liep ik doelloos met mijn toenmalige Italiaanse vriend door Firenze. We liepen hand in hand te niksen, ons tempo was zo traag dat het bijna moeilijk vol te houden was en de zon scheen en ik dacht nergens aan. Ik had alles al wel gezien en ook geproefd.
    Hij was Siciliaans, maar leerde me doorgaans naar Italiaans gebruik alle Toscaanse dingen te eten, de wijn uit Chianti te drinken. Niet omdat die de beste was, maar omdat we daar tenslotte waren: de pastasoorten die alleen in Florence werden gemaakt, de Toscaanse (enorme) biefstuk, wild zwijn en heel veel winterse stoofpotten. (Ik was er ook aangekomen in januari en had het die eerste maanden pokkekoud.) Die middag brak hij zijn routine daarin.
    Ineens kreeg hij een ingeving en trok hij mij een steeg in, die donker was na het felle zonlicht op het plein en waar ik niet meteen iets kon onderscheiden, terwijl hij triomfantelijk zei: “Pistacchio!”
    Pistache is het enige ijs dat ik niet lust, dus dat vertelde ik hem. In plaats van dat hem dat ontmoedigde, leek het precies te zijn wat hij horen wilde. “Benissimo!” riep ‘ie enthousiast, juichend zelfs, terwijl hij mij de drempel van een kleine ijswinkel over duwde. De man achter de glazen bakken tikte breed lachend zijn pet aan terwijl ik er dom en stom bleef staan. Mijn vriend wees op een bak met geelkleurig ijs erin en bestelde voor ons allebei een smeer daarvan. De eigenaar was Siciliaans, legde hij me uit en de man die naar beneden keek glimlachte.
    We stapten de drempel weer over en gingen zitten op het bankje naast de deuropening. Ik keek naar mijn vreemde ijs. Hij zei: “Proef maar.” En om hem niet teleur te stellen proefde ik. Het smaakte boterig en nootachtig, het was heel erg zacht, het had de smeuïgheid van pindakaas en was zout en zoet tegelijk. Het is nog steeds het beste ijs dat ik ooit heb geproefd, dat Siciliaanse pistache-ijs.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s