De glimlach

Een vriendin begint te huilen als ze zegt dat ze geen vriendschappen kan onderhouden. Ik begin te lachen en zeg van wel, ik plaag haar en probeer de sfeer te verluchtigen en dat lijkt te lukken want nu lacht ze door haar tranen heen. Maar ik schrik als ze weer opkijkt en ik haar ogen zie: ze lacht niet door haar tranen heen, ze huilt door een verstilde glimlach.
Die glimlach wijkt niet van haar gezicht. Als een enge Joker blijft ze zitten en ze staart voor zich uit.
Ik zeg allerlei dingen maar ze blijft het maar herhalen, “Ik kan het niet, ik kan het niet”, zegt ze, en ze vertelt een anekdote over een vriendin die haar niet meer wilde zien omdat ze nooit eens luistert naar haar verhalen, omdat ze ze altijd oplossen wil. De wijven- versus mannengrap wordt gemaakt, door haar, door mij, maar werkt nu niet – ja, ja, ze is net een vent, haha. Dat is niet meer leuk. Ze stokt.
Ik schrik van haar gezicht. Ik weet niet wat te doen. Maar ik doe iets, ik snap ook wel dat ze wacht en een beroep op mij aan het doen is, ik zie de ironie van deze Droste-situatie heus wel in – dit is een vriendschap, hier en nu, live right now zitten wij te praten en zij huilt zo zacht en is zo verstild dat het als glas blijft zitten op haar gezicht, dat ze helemaal in glas lijkt te veranderen.
Ze zit te wachten op wat ik ga zeggen en ze is wanhopig, want ze kent alles al en ik kan toch niet helpen. Ze stelt zich niet aan, ze meent het, ze heeft hier al over nagedacht, ze zegt nu weer, gebroken: “Ik heb gewoon een defect.”
Natuurlijk is dat niet waar, maar als ik haar dat zal zeggen denkt ze dat ik haar niet serieus neem, dat ik niet naar haar luister.
Ik kom van mijn stoel en ik zeg dat ik haar een knuffel wil geven en ik kus haar op haar wang en probeer haar aan te raken, maar ze blijft die enge glimlach houden en die tranen en ze stoot me af.

“Onze generatie heeft gewoon veel meer vrienden”, zei een andere vriendin een keer over haar moeder en mijn moeder, ze zei: “Mijn moeder heeft gewoon helemaal geen vrienden, geloof ik.”
“Nee”, zei ik. “Mijne ook niet.”
“Nou ja. Twee ofzo.”
“Ja. Zoiets.”
“Het is vooral familie.”
“Het is vooral dat.”
“Het gezin.”
“Ja. “
“Mijn moeder ging pas werken toen wij naar de middelbare school gingen.”
“Mijne ook.”
“Dat is bij ons heel anders.”
“Ja. Wij hebben ten eerste onze vrienden, daarna pas familie.”

Ik vraag een vriendin of het goed is dat ze alléén meegaat, zonder haar gezin, ik mis haar, zeg ik, en dat klinkt belachelijk dus ze praat er haastig overheen en daar ben ik haar dankbaar voor, ze zegt dat ze dat moet overleggen. Snel letten we allebei op haar kind.
Daarna vertelt ze in de weken erna een keer zo luchtig mogelijk, ze kijkt me niet aan en hangt de was op, dat haar man het geen goed idee vindt als ze met me mee op vakantie gaat. Financieel gezien. En met de kinderen.
“Jeetje”, zeg ik geschrokken en ik zie haar gezicht betrekken en daarna zeg ik snel niets meer.

Als de beste en enige vriend van mijn buurvrouw even blijft zitten in mijn gras nadat hij geholpen heeft rekken aan mijn buitenmuur te hangen, neemt hij na drie slokken van zijn beugel het woord over haar en legt hij glimlachend uit: “Ze doet te veel.”
“Ja!” zeg ik, meteen geanimeerd.
“Zo stoot ze mensen af.” Hij zegt het rustig, vertederd.
“Toen ik een keer niet langs wou komen omdat ik ziek was kwam ze met een compleet driegangenmenu”, zeg ik. Hij schiet in de lach.
“En als ze op de katten heeft gepast is het hele huis schoon, er staat een vaas met bloemen op de tafel, een kaartje erbij… tijdschriften?!”
“Hahaha.”
“Dat hoeft allemaal toch niet.”
“Nee, maar dat geeft haar houvast”, zegt ie.
“Ik vind het bijna een belediging”, zeg ik boos.

Een andere vriendin mailde ik, nu na drie jaar, nu ze vast geen borstvoeding meer geeft, dat ik haar eigenlijk wel graag persoonlijk wil spreken, alleen, zonder haar man en zonder de meiden, niet dat ik haar man en die meiden niet leuk vind natuurlijk, daar niet van, dat is het niet. Ik durf het bij haar nog niet hardop te zeggen dat ik haar mis.
Ze mailt terug in horten en stoten in flarden van zinnen die ik niet van haar ken dat dat lastig is, ze geeft nog wel borstvoeding, het hele gezin moet mee, ze kan haar man niet achterlaten, jammer dat ik dan niet wil komen, wil ik nou wel of niet, ze heeft nu geen tijd, sorry, sorry, sorry.

Een nieuwe vriend zegt: “Prima, prima, we kunnen best vrienden zijn. Fijn dat je duidelijk bent.”

Ik ga alleen op vakantie.

Iemand die ik alleen ken van brieven stuur ik vanaf het eiland een kaart. Eigenlijk was zij aan de beurt. Ze zal zich schuldig voelen, ze zal denken dat er een weegschaal is. Als ik daarna in haar stad ben blijkt dat waar te zijn, tenminste zo interpreteer ik haar haastige enthousiasme en daarna kort voor de afspraak haar afzegging. Ze heeft toch geen tijd, maar ze moest natuurlijk. Als ik weer terug ben in Groningen krijg ik de dag erna een pakket: ze heeft iets voor me bewaard en dat opgestuurd, er moest eigenlijk nog een brief bij, maar dat lukte niet en nu was het natuurlijk dringend. Ik heb haar nog niet bedankt.

Ik voel me alleen op het eiland, waar ik op een veldje in een bos aan een picknicktafel zit en ik denk aan al mijn mensen, die mij dingen meegaven: letterlijk, sommigen – bordjes, gasflessen, tentstokken, boeken-
Ik kijk naar de koekoek die overvliegt en die ik heel goed hoor en schrijf de vriendin die zenuwachtig met haar gezin en zonder mij op vakantie is gegaan, vier maand geleden alweer – ook weer een kaart. Misschien is ze wel boos. Misschien wil ze me niet meer zien. Moet ik iets zeggen, moet ik iets benoemen? Ik schrijf een vrolijke kaart en noem de zeehond die met me zwom die ochtend erin.

Als ik bij terugkomst mijn laptop open klap is er mail, met veel foto’s en een haastig verwijt over waarom ik niet op facebook zit. Toen ik de sleutel in de deur stak renden de katten op me af. Er stond geen vaas op tafel.

De Joker zit nog steeds naast me. Ik heb haastig gedronken uit mijn glas. Ik kijk naar haar en laat haar praten, ik probeer haar aan de praat te krijgen tot die grijns verdwijnt en die verdwijnt ook, en haar angst groeit, ik zie hem groeien, tot ze zegt, met een grote, vette zucht: “Het is gewoon zo moeilijk allemaal.”
En eindelijk kijkt ze me aan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s