De vleermuis

“Ik vraag het GJ wel, die doet het met een steen. Een stoeptegel. Die los ligt. Daar.” Ze knikt naar het stapeltje stoeptegels, het irriteert hoe ze haar zin steeds verder laat gaan als die al af is. Ik moet de neiging bedwingen mijn vingers in mijn oren te doen of haar door elkaar te schudden – beiden slaan nergens op, het eerste is hypocriet en het tweede is overdreven en ook hypocriet. Hoe kan het haar niet raken?
Van de kleine vleermuis heeft hij een vleugel afgescheurd. Haar kater zit er nu gehurkt bij te kijken, gewoon geïnteresseerd, zij steekt haar sigaret op en neemt de eerste trek, blaast rook recht de nachtlucht in en zakt met haar hoofd in haar hand onder haar kin. Ik vraag haar: “Hoor je dat niet?”
Hoe het beest krijst van pijn en paniek. Het ligt half te bewegen, maakt de geluiden waarmee hij normaliter opstijgt, het dier wil vliegen maar het kan niet meer vliegen. De kat kijkt nieuwsgierig toe. Het beest begint steeds opnieuw te vliegen, maar blijft gewoon liggen. Het maakt de beweging te vliegen, maar het lijf stijgt niet op. Het heeft nog maar één vleugel over. Het vleermuisje begint keer op keer opnieuw, wanhopig, lijkt niet te begrijpen dat vliegen niet meer kan. Het begint steeds opnieuw het schrille hoge geluid te maken en flapt met de overgebleven vleugel, zoemt als een bootje met een roeispaan half in de aarde in het rond en maakt een afschuwelijk geluid van schrille paniek en pijn.
Ze zegt: “Ja hè, gek geluid hè.” En: “Hee, Pipo, hou es op! Kom op zeg!” Ze meent dat niet, ze zegt het voor de vorm, ze is ontspannen, ze tikt nonchalant de as van haar sigaret.
Pipo zwaait wat lafjes met zijn witte staart, maar daarmee is alles gezegd. Het spelen is klaar en de jacht ook. Hij gaat het beest niet meer aanraken en ook niet bijten.
Ik schreeuw tegen de kat. Ik zeg: “Bijt dan, Pipo! Hup!”

Zijn ogen lichten op in het licht van het telefoonscherm waar ik hem in de bosjes mee zoek. Ik ben opgestaan. Maar ik kijk alleen maar en ik twijfel. Die stenen, dat doen wij kennelijk niet, dat doet GJ.

Hij heeft nog lang geleefd. GJ kwam de dag erna, maar deed het pas ‘s avonds, toen ze ineens weer iets hoorden en dachten van ‘goh wat is dat’. En zij toen dacht: ‘oh ja’. Ze vertellen me het als ik op zondagochtend over het balkon naar beneden kijk als ik mijn was ophang.
De nacht ervoor las ik bij mijn bedlamp een boek uit. De hoofdpersoon loopt in Londen over straat en vindt een gewonde duif, constateert dat het beest het niet zal overleven en aarzelt geen moment: ze pakt een steen, ze slaat hem dood.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s