Kastanjes

De truffels waren niet te vinden op de markt. Ze waren ook niet te vinden in Le Souk, bij Basarz, bij Ariola, of de Boergondiër. Plan B was buffelmozzarella daar halen, in het winkeltje met Groningse specialiteiten, dus toen deed ik dat maar.
‘s Avonds gaf ik het kado aan mijn oom, toen hij even naar buiten glipte om alvast achter het huis een paar takken en blokken hout in de vuurkorf te doen. Hij keek beleefd enthousiast naar het plastic bakje met de twee witte natte klompen kaas erin, waarin de mozzarella van de op het Groningse ommeland lopende waterbuffels zat, waar ik behoorlijk nieuwsgierig naar was, die ik ook nog nooit had gehad. Ik presenteerde het kado trots en een tikje jaloers.
“Goh”, zei ‘ie. Eh. Dank je.”
Ik was de enige die hem geen alchohol gaf.

Die middag waren we meteen vanaf station Nijverdal de bossen in gelopen. Eerst gingen we naar het Bezoekerscentrum op de berg, waar ik naar het toilet kon en waar voornamelijk kinderen rondliepen om er nieuwsgierig vingers in gaten te steken, om boomschors te voelen of te ruiken aan hars, om te raden wat dat dan was. Ik hoorde aan hun accenten dat het elders in het land herfstvakantie is.
Aan het plafond van het winkeltje hingen op de kop paraplu’s met doorschijnende afbeeldingen van alle vogels die rondvliegen in het bos.

We liepen het bos in, dat was nog te groen, dat hadden we wel verwacht.
“Vossebessen”, zei mijn vader, half verbaasd en wijzend naar de grond waar de heide weer in bos overliep. Ze waren er nog.
“Die bosbesssen die we zouden plukken, dat is niet echt gelukt hè”, zei ik.
“Nee”, zeiden mijn ouders tegelijk.
“Deze zijn heel klein”, zei ik over de vossebessen.
“Dat is normaal”, zei mijn vader.
“Ja”, zei mijn moeder, “die bosbessen. Van de Albert Heyn.”
“Niet normaal”, zei mijn vader.
“Veel te groot”, zei mijn moeder.
“Ik hoop dat ik kastanjes vind”, zei ik.

Ik keek elke keer op de grond bij een boom, vond wat lege bolsters, allang geel geworden en bruin, niet zacht of stekelig meer, vertrapt. Kastanjes lagen er niet tussen. Ik keek omhoog en zag ze ook niet hangen.
“Komen ze nog?” vroeg ik.
“Nee, ze zijn er nu denk ik wel”, zei m’n vader, maar je moet dan gewoon een boom vinden die niemand weet. Hier lopen teveel mensen.”
Een half uur later vond ik een volle bolster en pakte die te onvoorzichtig op, ik was vergeten hoe stekelig ze waren. Hij prikte en deed gemeen pijn.
“Kijk!” zei ik.
Mijn moeder reageerde enthousiast, mijn vader was nog niet overtuigd.
“Hier ligt er nog een”, zei mijn moeder.
Na nog twee gevonden lege bolsters en met vijf kastanjes in mijn zak, raakte mijn vader overtuigd; hij was degene die het beste zocht en die zonder moeite de meeste vond. Met een halve kilo kastanjes in onze jaszakken zaten we twee uur later aan de herfstbok in de kroeg.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s