Buitentafelgesprekje

Als ik terugkom van een boodschap op de fiets hoor ik in de brandgang dat aan de andere kant van de schutting mijn buurvrouw nog buiten zit. Ik hoorde dat ook al toen ik mijn fiets voor het weggaan uit mijn schuurtje haalde, riep toen nog maar niets, dacht: misschien is ze nog niet aangekleed, het was nog vroeg.
Nu is het een uur of tien. Ik roep haar naam. Ze reageert. Ik hoor ook de stem van haar beste vriend. Ik roep tegen haar schutting, verwarmde houtverf ruikend: ‘Ik heb je snoeisnaar nog!’
‘Joe!’ roept zij.
‘Ik bel even aan!’ roep ik.
‘Joe!’ roept zij.

Ik zet mijn fiets in de schuur, doe de deur op slot, loop om naar haar voordeur en bel aan. Terwijl ik wacht merk ik dat ik verwacht en hoop dat ze de deur niet alleen opendoet, maar ook mij over de drempel trekt, even koffiezet. Als haar beste vriend er ook is, is de sfeer daar altijd goed. Ze doet het.
Als ik de volgende drempel over, haar achtertuin in stap begint hij al te lachen als hij zijn armen wijd uitspreidt, ‘Trouwen?’ zegt hij lacherig, het was het woord dat ik uitsprak terwijl ik op hem afliep, maar achterom kijkend, het was een reactie op iets wat ik mijn buurvrouw aan het vertellen was.
Ze is in de keuken verdwenen.
Ze komt terug met een aardewerken kopje oploskoffie.
Ik neem het kopje tevreden aan. Ik ben naast de vriend gaan zitten. Hij zit in de schaduw, zij in de volle zon, ik heb precies één zonnestraal.

‘Jullie zijn vroeg!’ zeg ik, maar ik zie dat ze niet al aan de wijn zitten, maar nog aan de wijn zitten. Het is zo’n nacht geweest waarop ze de hele tijd maar dóór zijn gegaan met praten, steeds verder over elkaar heen tuimelend. Op de picknicktafel staat zijn speciale glas, er ligt shag, zij zit met gloeiende konen en in een hemdje in de frisse buitenlucht. Ze zijn nog dronken, vooral hij.
Haar kat springt bijna van de schutting af maar durft niet. De vriend springt op en buigt voorover. De kat springt op zijn rug, dan op de grond, terwijl de vriend begint te schateren.
Hij loopt met losse passen terug naar de tafel en ploft naast me neer. De huid van zijn armen is verbrand.
‘Tien dagen Terschelling!’ roept hij tevreden en trots.
‘Oh, heeeerlijk’, zucht ik. ‘De vriendin in wiens huis ik net was is op Vlieland.’
‘Ook mooi!’ roept hij.
‘Ja’, zeg ik glimlachend.
‘Ligt ernaast!’ roept hij, en hij begint weer te schaterlachen.

Ze vertelt zes minuten over rijles, als ik haar heb gevraagd of ze al theorie-examen heeft gehad. Tussendoor kijkt ze naar me en onderbreekt ze zichzelf met uitlatingen die ze niet voor zich kan houden: ‘Ja, en dan weet ik niet of ik hem in de eerste of z’n achteruit heb staan– moet jij je jas niet uit doen? Het is toch warm!’
Ik zeg dat ik het koud heb, of dat het nog vroeg is, want ze vraagt het wel weer een keer opnieuw, en daarna gaat de woordenstroom verder.
Ik leg haar uit wat de hellingproef is. De vriend begint weer keihard te schateren, doet haar na, terwijl ze onzeker bij een stoplicht staat, met rare wiebelende armen die hij naar voren laat bungelen.
Hij draait nog een sjekkie, zegt dan, eerlijk, als hij bijgekomen is van zijn plezier: ‘Ja, ik heb geen rijbewijs hoor.’
‘Maar hoe moet dat dan?’ buigt zij over de tafel om mijn aandacht dringend terug te krijgen, ze wil het echt snappen. Ze perst haar grote borsten tegen het hout.
‘Gewoon de rem vasthouden, zodat je niet achteruit glijdt’, zeg ik.
‘De rem?’ vraagt ze verward, vermoeid, ze doet haar best me te begrijpen. Haar ogen zijn geloken.
‘De handrem’, zeg ik, ‘en dan de koppeling op laten komen.’
‘Tegelijk?’
‘Ja – ik beweeg tegelijk mijn linkerhand naar boven en mijn rechterhand omlaag – dat ze elkaar opheffen, als het ware.’
Ze kijkt me verward aan.
‘Dat de auto niet naar achteren rijdt.’
Ze kijkt nog steeds onnozel. De vriend schiet weer gigantisch in de lach.
‘Nou, wat doe je dan met je ligfiets?’ vraag ik, op goed geluk.
‘Met mijn ligfiets?’
‘Ja. Als je dan op een helling staat bij een stoplicht? Zet je dan je voet niet op de rem?’ Ik weet niets van ligfietsen.
‘Ja, oh, ja zooo ja’, zegt ze op een toon van nieuw begrip, maar fronsend. Ze tikt as af.

Er ligt een vreemd zandloperachtig ding op tafel en een komkommer die lijkt op een geslepen kleurpotlood. Ze volgt mijn blik.
‘Dat is voor spaghetti!’ roept ze, ‘dan kan je van komkommer spaghetti maken!’ en ze begint keihard te lachen. ‘Wij deden net een romantische spaghettisliert, of niet?’ Meteen knikt hij, knijpt hij even tevreden zijn ogen dicht.

Ik drink genietend in een straal zon aan de houten tafel mijn koffie. Ik kijk om me heen naar haar tuin.

‘Hahahaha, dan ga ik gewoon mijn stoel achteruit zetten! En dan zegt de rij-instructeur: wat doe jij nou? En dan zeg ik: ik doe alsof ik in mijn ligfiets lig!!’ Ze beweegt haar romp overdreven achterover. De vriend lacht en ik moet ook om haar lachen.

De vriend krijgt de hik.

‘Je druif komt ook alweer bijna’, zeg ik.
Ja mooi hè’, zegt zij.
‘Ik heb stokrozen geplant aan de andere kant van de muur.’
‘Oh leuk!’
‘Zalmroze, en dan van die friemelige bloemen, niet die platte open types, maar die chrysantachtige.’
‘Oh die kleinere!’
‘Ja?’
‘Ja, die zijn kleiner. Oh leuk. Dan komen ze boven mijn muur uit.’
‘Dat halen ze denk ik niet. Maar ik kan wel een zonnebloem voor je planten.’
‘Oh!’
‘Die dan precies zijn kopje boven de muur uitsteekt.’
‘En dat ik dan in de winter de zaadjes kan eten.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s