Nostalgia

Mijn docent Oude Italiaanse kunst liet me terwijl we door Florence liepen een voorbeeld zien: een ansichtkaartje, dat hij omdraaide omdat er vier vlekken op zaten. ‘Een rode, dat is Chianti, een zwarte, dat is caffè, nog een zwarte, dat is balsamico. En een gele, dat is natuurlijk…’ ‘Extra vergine’, vulde ik braaf aan. Hij lachte, rook glimlachend aan alle vlekken, zei: ‘Zo deden wij dat vroeger ook. Aan zo’n stakker die dan terug naar Nederland gegaan was. Het was wel het minste wat je kon doen.’ Tevreden deed hij het kaartje op de post.
We liepen verder, een aantal in steen uitgehouwen trappen op, omhoog de heuvel op waar weer een kerk te zien zou zijn. Toen we er weer buiten op de grond zaten wees hij naar het Palazzo aan de overkant waar alle ramen open waren. Hij zei op dramatische toon, terwijl hij een wijsvinger ophief, om zich heen kijkend, tegen de hele groep: ‘Eenmaal, toen ik hier met een groep medestudenten was, hoorden we uit een van die ramen een aria komen! Daar was toen een vrouw een aria aan het zingen. Het zoog door de warme wind zo de ramen uit! Och, man, zó mooi.’
Hij haalde een zakdoek uit zijn broekzak en veegde zijn bril schoon. Hij stopte de zakdoek terug en zette het ronde brilletje weer op zijn neus. Hij keek tussendoor steeds omhoog naar het raam, waar nu niets te horen was. Tegen het felle zonlicht kneep hij net als ons zijn ogen dicht. ‘Ja, dat was mooi’, zuchtte hij nogmaals.

Ik vroeg me tijdens die excursie af of hij ooit naar Italië was gegaan om daar slechts uit de grond te trekken wat overeenkwam met het nostalgische beeld dat hij zich van tevoren had ingeprent.

Jaren later kwam ik bij hem op kantoor ‘s morgens, heel erg vroeg en ik was ziek. Ik was nu zelf net terug uit een half jaar Italië en moe van alle bureaucratische rompslomp, de dingen die allemaal mis waren gegaan, de punten die ik moest gaan inhalen nu. Hij was de zoveelste docent bij wie ik dingen moest recht gaan zetten. Zijn kamer was op de hoogste verdieping. Ik plofte neer in een stoel en keek achter hem langs door het raam naar buiten. Hij vroeg of ik koffie wilde.
De docenten waren niet toegestaan koffiezetapparaten op hun kamers te houden. Hij schonk voor ons beiden in. Het was koud buiten. Ik was verslagen, ik was terug. Ik voelde me niet nostalgisch maar wanhopig. Ik begreep nog niet goed wat er met me aan de hand was. Ik wist ook niet meer wat ik wilde met mijn leven en mijn studie. Dat maakte hem niet zoveel uit. Ten eerste, als eerste docent die dat deed, gaf hij me koffie.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s