Geen recensie – The White Peacock

Er zijn van die boeken waar je absoluut geen recensie over wilt schrijven, omdat ze je zo raken dat je er gewoon over wil schrijven, dat je die paperback stukgelezen tegen je borst klemt en geen zin hebt om ook maar een miniem klein beetje uit te zoomen, laat staan kritisch te zijn. Het is een ontzettend ijdele gedachte natuurlijk, kinderlijk en egocentrisch, maar misschien is toch zo’n soort stuk, dat nu hier volgen zal, beter te pruimen dan een kil-kritische recensie. (Er is van alles mis met recenseren, het is een raar beroep. Maar dat is voor in een ander stuk.) Misschien is het nu volgende stuk sympathieker, ook al is het alleen maar voor mijzelf geschreven.

Ik heb dat nog met twee boeken nu, The White Peacock en The Golden Notebook. Ze zijn allebei al maanden uit, staan alweer in mijn kast. Alsof er niets gebeurd is.

Ik kocht ze tweedehands, dus er is geen verschil te zien. Tenminste niet zoals bij alle nieuwe boeken die ik recenseer: tussen het gave exemplaar dat ik uit het karton vis en de kapotte rug daarna, met meerdere knakvouwen erin, de ezelsoren, de onderstreepte zinnen, hier en daar een vlek van koffie thee, soms een dode mug met daarin mijn eigen bloed. Het is hard werken. Maar deze waren al gelezen en vergeeld toen ik ze kocht. Het herlezen leverde alleen een merkwaardig fluffy effect op: de flinterdunne pagina’s van de Lessing die keihard samengeperst hadden gezeten, misschien wel meer dan tientallen jaren, waren nu alle zeshonderd-en-nog-wat pagina’s stuk voor stuk omgeslagen, en hadden dus weer lucht gehad, waardoor het boek zich leek te hebben verdubbeld en lichter was geworden.

Laat ik eerst ingaan op The White Peacock, dan kom ik later nog een keer op The Notebook terug. (Nu moet ik wel.)

Met The White Peacock had ik iets bijzonders. Ik had Lady Chatterley’s Lover gelezen, lang geleden, en was daar danig van onder de indruk, schreef daar ook al een stuk over. Toen ik daarna, vorig jaar, op de Deventer boekenmarkt kwam, leek het me dus een uitstekend idee om Lawrence’s debuut, The White Peacock, in prachtige penguinpocket, mee te pikken.
Ik was verguld. Die avond zat ik bij een vuur en ik bladerde erin, ik weet nog hoe warm het was, hoe zomers, hoe mooi weer. Ik herinner me het geluid van de wind in de bomen boven mijn hoofd, ik die op een houten bankje zat en dat boek voor het eerst opensloeg. Ik liet het zien aan de mensen met wie ik er was. Dat was natuurlijk onzinnig, zij moesten er ook om lachen, wat is er nu te zien aan een boek? Kijk! Kijk! zei ik. Alsof ik de hele wereld die Lawrence had geschapen kon laten zien met een kaft. Ik kende die wereld zelf nog niet eens. Maar, ik kende een wereld, die hij geschapen had, en ik verheugde me op een nieuwe.

Na een tijd kwam de dag dat ik het begon te lezen. Tussendoor moest ik andere dingen lezen, en ik had het druk met het maken van een eigen boek, dus het lukte me niet het boek snel te lezen, hoe graag ik dat ook wilde. Maar: het lukte me ook niet op veel dagen dat ik wel de tijd ervoor had. Het boek gaf zich traag, ik had soms het gevoel dat het er de tijd niet voor was, dan liet ik het liggen. Er leek daarbij iets vreemds te gebeuren: elke keer dat ik het wel oppikte en er weer een paar hoofdstukken in verder las, werd het akklimatiseren aan het boek handig bespoedigd omdat het seizoen waarin ik inmiddels in was beland gelijk was aan de seizoenswissel die zich in het boek in korte tijd voltrok, of net voltrokken had.
Dus toen ik met kerst mince pies aan het maken was en een paar dagen later in mijn kerstvakantie The White Peacock er maar weer eens bijpakte, wist ik meteen wat er in dat hoofdstuk werd gemaakt: de vrouwen die aan tafel zaten, krenten uit te zoeken, de mannen die een groot stuk spek in kleine stukken hakten, de noten die er werden geraapt – ik herkende het acuut, had dat zelf ook net een paar dagen ervoor gedaan. Toen ik in de lente verderging, werd het in het boek ook rap lente. Algauw las ik hoe de krokussen kwamen, eerst nog de narcissen, hoe de sneeuwklokjes allang verdwenen waren, alles in dezelfde volgorde als om mij heen.
Steeds liepen de seizoenen gelijk met de echte, alsof ik gewoon uit mijn eigen raam kon kijken wanneer een personage in het boek dat ook deed. Ik deed dus ruim een jaar over het boek. In het boek gaan vele jaren voorbij, maar het meest ligt de focus, voor ongeveer tachtig procent, op één jaar, op een seizoen steeds, waarin de natuur de vaak hysterische achtergrond vormt van het drama dat zich voltrekt.

Lawrence is geen watje. Of misschien juist wel. Een gevoelige ziel is hij, in elk geval, een intense man moet hij geweest zijn. Om van zijn schrijven te houden moet je houden van drama. Bij Lawrence speelt de natuur een grote rol, alsof de mens de hele tijd wanneer hij buiten is rondloopt op een toneel, waar de omgeving dan zorgt voor alle effecten, die de lezer laten zien wat er gebeurt: intense lichteffecten, enge of juist heel lieflijke geluiden, coulissen opgebouwd uit door elkaar heen schuivende, schitterende velden van kleur. Bij Lawrence is een natuurbeschrijving zoiets als hoe een katholieke priester met een wierookvat heen een weer zwiepend door een kerk loopt: intens, dramatisch en doordrenkt van symboliek. Maar dat doet hij niet alleen om de lezer informatie te geven – dat doet hij, vermoed ik, voornamelijk omdat het voor hem gewoon zo voelt. Hij kan niet anders.
Ik vind het schitterend, omdat het voor mij ook zo voelt. En wanneer dat zo is, dat dramatische beschrijvingen instant herkenning opleveren, voelt dat niet als dramatiek, maar als erkenning. Dat is ontzettend bevredigend, dat een schrijver hetzelfde ervoer als jij en dat opgeschreven heeft. Of: dat een ander mens dat kennelijk zo heeft gevoeld, en het talent heeft die ervaring niet alleen op te tekenen maar ook tot leven te brengen voor mensen die het zelf niet hebben meegemaakt, maar toch instinctief herkennen; dat is een groot goed.

Je zou door sloten moeten gaan plempen, met dit boek in de hand. Je zou sneeuwklokjes ermee moeten plukken. Je zou in elk geval niet, zoals een van de hoofdpersonen triest genoeg doet, binnenshuis moeten blijven en achter glas die sneeuwklokjes na gaan schilderen. Nee, nee, nee. Dan snap je het helemaal niet.

Als Lady Chatterleys lover een goed afgewerkt olieverfschilderij is, is The White Peacock een prachtige eerste, trillerige, voorzichtige aquarel. Alles is zachter, helderder, teerder. Hij probeert dingen uit, hij schetst dingen, hij heeft nog niet achteraf alles perfect in elkaar getimmerd en er lagen vernis over gekwast. Er zijn nog dingen die elkaar niet helemaal aansluiten, er zijn hier en daar nog plekjes wit en de doodverf is dun, of die onderlaag waarop alles wordt geschilderd ontbreekt misschien zelfs wel helemaal.
Wat ik met deze metafoor bedoel is de taal, die is anders dan bij Lady Chatterley – veel vluchtiger, luchtiger, maar ook veel lyrischer, Lawrence vliegt makkelijker uit de bocht met zijn kwast, werkt met brede, natte stroken, niet met preciese puntjes verf.

Wat ook mooi is en in dit eerste boek haast per ongeluk te zien is de persoonlijke frustratie van de schrijver, als het gaat over zijn leeftijd, waarop hij en zijn vrienden, of de mensen met wie hij opgroeide in elk geval, geacht worden zich te settelen, keuzes te maken. Hij/de ik-persoon ergert zich aan ‘zijn zus’, hoofdpersoon 1, een intelligente en daadkrachtige vrouw, die nadat de man waar ze stiekem op verliefd is haar niet ten huwelijk durft te vragen zich ten volste stort op de op papier perfecte, maar saaie verloofde die haar aanbidt. Hij bukt voor haar, hij doet haar schoen aan haar voet voor ze de deur uitgaan.
Maar dat is nog niet het ergste, vindt ik-persoon verteller die heel erg op Lawrence lijkt; het maakt haar helemaal niet meer uit als ze moeder geworden is. Ze jubelt uitgelaten en iets te overtuigd dat dát is wat ze nu is, dat is wat ze wilde worden: het moederschap, ja, dat is haar leven nu!
Tegelijkertijd is de jonge zus van die heimelijke minnaar van haar voor de verteller een interessante match: introvert, intelligent, rustig trekt ze zijn aandacht, trekken zij als ze opgroeien naar elkaar toe en net als hij haar als een serieuze optie gaat zien, omdat ze elkaar lange stromen brieven sturen vanaf de scholen waarop ze beiden docent geworden zijn, zwicht ook zij voor de plicht van haar eierstokken, krijgt hij prompt op een dag te horen dat ze met iemand zal trouwen, dat ze voornamelijk moeder wil zijn.
Ook zij voelt zich genoodzaakt om semi-schalks een verdediging ten tonele te voeren, ze schrijft in haar brief: ‘Oh, I am a thousand years older than him, but he will be a good father!’ En ze moet lachen.
Het irriteert hem. Ze lacht om de eventuele bezwaren, is met haar rustige intelligentie, net als zijn zus met haar krachtige daadkracht, roekeloos, in het kiezen van een echtgenoot, nu dat vooruitzicht van moederschap in het verschiet ligt. Het kan haar nauwelijks nog schelen wie het zal zijn die haar dat schenken zal.
Maar het meest irriteert het de hoofdpersoon, en volgens mij echt de dan nog jonge, ongetrouwde, ploeterende Lawrence zelf, dat die beide intelligente en veelbelovende vrouwen, de zware plicht van het alleen leven, de last van de ambitie, van zich afschudden; dat zij gewoon besluiten die als een afgedane jas te laten liggen in het gras.

Het perspectief in dit boek is heel vreemd gekozen en voelt heel vaak enorm geforceerd aan. De ik-persoon en verteller is de broer van een van twee geliefden, de hoofdpersonen, die elkaar maar niet kunnen naderen en nooit bij elkaar terecht zullen komen, en vertelt dus dat verhaal. Dat is op bepaalde momenten echt belachelijk: hij lijkt de hele tijd dat zij hun kleine, intieme, uiterst tere momenten beleven gewoon naast hen te lopen.

De voornaamste verhaallijn is dus die man en vrouw, buren, van verschillende klasse, die verliefd op elkaar worden maar niet bij elkaar zullen komen. Om omstandigheden, om karakter, omdat de dingen nu eenmaal zo gaan. Dat staat al uitgebreid uitgelegd in de binnenflap van het oranje penguin pocketboek: ‘The consequences [van het elkaar niet kunnen naderen] were considerabel, but also, the people being what they are; inevitable (…)’
Die liefde tussen Lettie, de zus van de hoofdpersoon en George, hun buurman, is pure chemie. Maar Lettie wil meer van een man dan aantrekkingskracht en kiest voor de sociaal meer acceptabele, ietwat rijkere, beter wetend hoe de mores van de tijd te hanteren-Leslie (een naam die erg op de hare lijkt). Die man, die haar aanbidt, en saai is, en een groot huis kan bieden, en kinderen dus.
George krijgt nog een paar kansen van haar, want tijdens haar verloving voelt zij zich wel gevangen, durft ze eigenlijk niet de sprong te wagen, weet ze wel dat ze meer van George houdt, maar: George durft simpelweg niet. Het frustreert haar, maakt haar boos, zorgt ook dat ze hem uitlacht. In de ogen van de verteller maakt ze hem daarmee kapot en lijkt zij, ‘fragiele’, schone blanke vrouw, minder last te hebben van de breuk dan de zogenaamd sterke George. Met al zijn boerenbravoure, zijn indrukwekkende lichaam, zijn kracht en ruwheid is hij onder de indruk van die andere verloofde, voelt hij zich minder dan hem, schaamt hij zich.
Op een dag besluit hij ‘s avonds langs te komen in niet de kleren die hij normaal draagt, maar de kleren die Leslie ook draagt: een nauwe broek, dansschoentjes die hem te krap zitten. Iedereen is stomverbaasd en hij schaamt zich dood. Lettie heeft medelijden met hem, in die hoedanigheid. En dat is dus het probleem: het kan niet. Hij past niet in haar wereld. Hij durft niet, zij lacht hem uit om hem te motiveren, ze bedoelt dat niet zo en heeft niet door dat het hem op die manier raakt. Hun karakters doen elkaar pijn, het kan niet anders lopen dan verkeerd, Lawrence schrijft dat eerlijk op.

In dit boek komt de gamekeeper, die ruwe, aardse man die Lady Chatterley van haar kille lot verlost, al om de hoek kijken. Het is hier ook een gamekeeper, een ruwe, wrede man, die laconiek is en niet doorheeft dat hij wreed is (ben je dan nog wel wreed? Of ben je dan juist wreed?), vader van meer dan elf kinderen, de hele dag roaming over the land, wijl zijn wanhopige, oververmoeide echtgenote in hun veel te kleine vervuilde huis thuis zit met alweer een nieuwe baby.
Die gamekeeper fascineert de hoofdpersoon. Hier lijkt de verteller haast te vergeten dat hij het eigenlijk over ‘zijn zus’ en ‘zijn buurman’ en hun liefde moet hebben, hier loopt hij een eindje met de gamekeeper mee, stelt hij hem vragen, onder de indruk en enthousiast als een kind. Maar die gamekeeper is een dubbel personage, heeft, net als elk mens nare kanten, misschien wel iets té naar. Je kunt je afvragen of Lawrence dat wel ziet of wil zien, of expres vermijdt, en toch: al snel wordt duidelijk dat zelfs in dit eerste boek daarop het antwoord ‘ja’ is, hij heeft toch ook het echte instinct van de romancier, die achteruit leunt en hem bekijkt van alle kanten en zeker ook die lelijke laat zien, omdat hij anders niet een volwaardig karakter beschrijft.
Ik moet eraan geloven dat er een punt van kritiek is waar ik niet omheen kan. Toen ik al eerder over Lady Chatterleys lover schreef had ik het nog niet uit. En het is namelijk zo dat die lover, deze figuur van gamekeeper, in de laatste hoofdstukken van dat boek een schimmige figuur geworden is, die echt te gewelddadig wordt.
Daarom is het bijzonder de beschrijvingen van deze gamekeeper in deze debuutroman al te lezen; het is alsof je kan zien dat Lawrence professioneel gezien zijn best nog doet de man het best te schilderen, te beschrijven zoals hij is, maar persoonlijk gezien daar al meteen haast het geduld niet voor heeft, het niet duldt hem eerlijk te vervolmaken. Hij wil laten bij hoe cool die gast eigenlijk is, en daarin is al te proeven dat hij dat gewelddadige ook fascinerend vindt.

Op een dag lopen ze samen een stal in, de verteller en die ruwe, vreemde gamekeeper, waar dan een witte pauw paniekerig opfladdert. De man lacht de ranke, reine pauw uit – hij heeft geen achting voor haar, maar is ook niet bang voor haar. Die pauw staat natuurlijk voor Lettie, ofwel alle nette, gemene, sprankelende, rijke, propere, fragiele  jongedames als zij. De man is misschien wat George zou moeten zijn, zou moeten durven, dan had hij Lettie wél ten huwelijk gevraagd. Maar tegelijkertijd wordt duidelijk dat hij wreed is, en afstandelijk, dat zijn lust en libido zijn vrouw in wanhopige toestanden terechtbrengen die hij lacherig beziet, bagatelliseert. Het is een individu, hij doet gewoon wat hij wil en is voor niemand bang. En vooral: hij volgt de, en zijn, natuur.
Lawrence, of zijn hoofdpersoon, maar waarschijnlijk zit er in dat hoofdstuk weinig verschil daartussen, vindt hier voor het eerst iemand die zich niet volgt naar die maatschappelijke mores die hem vaag irriteren, waarvoor hij een frustratie voelt die hij nog niet goed begrijpt en die nog niet op volle kracht is, laat staan een uitweg vindt.

Wat voor man moet Lawrence geweest zijn? Was hij óók een wrede man? Wat hij voelt is zo intens, dat hij weinig tornen aan zijn beleving van de wereld geduld zou hebben, misschien.
Hij was neurotisch, zwak, sociaal, ontzettend – bijna helderziend – emphatisch, of beter gezegd: inlevend. Niet voor niets is het verbluffend hoe goed en eerlijk hij het ellendige oneerlijke lot van Lady Chatterley naar voren kan brengen, hoe hartstochtelijk hij vrouwen gewoon mensen durft te laten zijn, bijna alsof hij dat geïrriteerd op de bladzijdes spuugt; ‘waarom beschrijf niemand hen gewoon als de mensen die ze zijn-: hun normaalheid, hun ranzigheid (zonder in misogynie te vervallen!), hun menselijke driften?’ Hij ziet ze gewoon zoals ze zijn en hij is ook oprecht teleurgesteld in ze, als ze hem teleurstellen met de keuzes in hun leven, niet omdat hij zich door hen bedreigd voelt. Dat is zo’n ontzettende verademing.

Het is een feest hem te lezen, met hem mee te gaan in die oververhitte geest, te zien hoe hij overduidelijk, haast ondraaglijk goed ziet wat mensen denken, voelen, doen; hoe ze elkaar niet kunnen bereiken, of dat niet durven, hoe ze hartstochtelijk van elkaar houden maar nog eerder daar niet aan toegeven omdat ze bang zijn voor elkaar, dan dat ze kiezen voor elkaar; hoe ze zichzelf te gronde richten.

En ook is er de totaal afwezige angst voor zijn eigen erotische verlangens, die van de verteller dus, als het gaat om George, de hoofdpersoon, zijn beste vriend: in een lyrische passage die bijna, bijna (!), belachelijk wordt, laat hij ze beiden op een hete zomerdag het veld rooien in een passage die nu absoluut als homoseksueel zou worden gezien. Het kon hem gewoon niet schelen. Hij meende het.

Moed, en irritatie, en drift, en dat alles, elke keer weer, in botsing met sociale mores, met korsetten, met keurslijven – vrijwel letterlijk. De natuur als het innerlijke van de mens, niet als iets dat zich daarbuiten bevindt. Vaak beschrijft hij ook bloed, dierengeuren, al die dingen ziet hij als lokkend voor mensen. Hij laat ze naar buiten gaan, bloemen plukken, zwemmen in vijvers, rijden op paarden, jagen op konijnen, met hun handen gaan door dikke plakken koud spek, natte sokken uitdoen, op blote voeten door het huis lopen.

Ik vind zijn werelden, de twee die ik er nu ken, schitterend, en ben benieuwd naar het volgende schilderij.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s