De wachtkamer

Een aantal weken geleden had ik mijn eerste afspraak bij de mondhygiënist van de nieuwe tandarts. Het stortregende. Ik had mijn Hema-poncho over mijn gewone jas gedaan en zo kwaad als het ging die over mijn fietsstuur gedrapeerd, waarop ik mijn natte, wegglijdende vingers klemde en zo, al fietsend, een soort tentje vormde. Desalniettemin werd een hoop van mij nog nat: mijn gezicht, mijn voeten, mijn haren die door de wind onder de capuchon werden uitgetrokken, waarna de hele capuchon afwaaide en ik daar, krampachtig tent op stuur klemmend, weinig aan kon doen.
Het was verder fietsen dan mijn oude tandarts en ik moest ook nog zoeken. Toen ik mijn fiets geparkeerd had tegen een lantaarnpaal veel verder weg en terugliep naar de nieuwe praktijk dacht ik aan het eerste bezoek bij de tandarts, drie weken daarvoor: een joviale, daadkrachtige man met een bulderlach, niets aan de hand-routine-beoordeling, de assistent die mij een tandenborstel meegaf – hoe het eigenlijk zo gepiept was en ik nu, eindelijk, een nieuwe tandarts had.

Ik had toen niet veel om me heen gekeken. Ik was meer geconcentreerd geweest op het ontmoeten van hem, het invullen van formulieren, of ik de goede kant op liep, wat ik tegen zijn assistent moest zeggen – maar nu deed ik dat wel: ik stapte, natgeregend, de drempel over, hoorde het zwiepen van mijn poncho die ik uittrok, zag de druppels die ik veroorzaakte op het tapijt en keek betrapt om me heen, de ruimte in, waar helemaal niemand was. Er was geen baliemedewerker, waar ik me de vorige keer kon melden. Ik liep de gang in, verschillende richtingen op – er waren lampen aan, toch was het er nog donker – ik keek om me heen, zag niemand, hoorde alleen mijn fiets-nahijgen en het zwiepgeluid van de poncho en de druppels die uit mijn haar op de grond vielen. Ik liep naar de wachtkamer in de hoek.

Er stonden kinderstoeltjes, in primaire kleuren gelakt, bij een tafeltje met LEGO. Een grote rechthoekige gele tafel met houten gladde stoelen stond ernaast en domineerde de kleine, donkere ruimte. De muren waren in terracotta geverfd met een grove korrelsaus, als bij een Italiaans restaurant. Er lagen dikke tijdschriften op de tafel, die glansden in het erboven hangende lamplicht. In de hoek stond een ouderwetse café-kapstok van hout. Aan de korrelmuur hing een achter glas ingelijst kunstwerk dat leek op een poging Rothko na te doen.

Ik drapeerde mijn doorweekte en aan elkaar plakkende poncho over drie stoelen heen. De poncho raakte aan alle kanten nog de vloer. Ik hoorde nog steeds geen geluid. Ik ging zitten en wachtte af.

Erna ging alles voorspoedig, de mondhygiënist bleek een jonge vrouw die op mij leek, ze was gewoon in het gebouw aanwezig en ze had me gewoon opgehaald, ze had in haar kamer ver weg van de wachtkamer gezellig de radio aan en zei dat iedereen op vakantie was. Toen ik terugkwam zat er in de wachtkamer alweer een nieuwe patiënt.

Toen ik meer dan tien jaar geleden een cursus korte verhalen schrijven volgde kregen we als huiswerk om in één alinea een ruimte te beschrijven, zonder mensen en zonder handelingen. Het idee erachter, zo bleek de les erna, waarbij we met elkaar moesten ruilen en naar aanleiding van die alinea een personage in die ruimte moesten schrijven,  het verhaal af moesten maken – was dat een schrijver een ruimte altijd beschrijft middels een bepaald soort sfeer, ook als je dat als schrijver zelf niet echt doorhebt, die meer suggereert dan je denkt. Ik vraag me af hoe die wachtkamer had gefungeerd als de opening van zo’n verhaal.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s